Zonder Instagram is het eigenlijk ook wel beter. Een zoveelste keer dat de website en applicatie het laten afweten, nopen me om daar een punt achter te zetten. Maar hoe ga ik dat aanpakken? Ook al is het gedrocht een onderdeel van Facebook, de tactiek om het af te zweren zal toch anders moeten gaan. Een alternatief moet er voor in de plaats komen, zodat er toch een soort van sociale sfeer blijft bestaan rond het schilderen.

Bij Facebook was de truc wat langgerekt doch erg makkelijk: eerst de account deactiveren, zodat er nog gebruik gemaakt kon worden van de berichtendienst en die laatste afbouwen tot het niet meer loont om die te behouden. Daarna de hele account verwijderen om nooit meer terug te zien. En tegelijk goed in de gaten houden wat de effecten zijn op, bijvoorbeeld, deze website. Die waren extreem gunstig en dus is het aantrekkelijk om een zelfde soort route te ondernemen met Instagram, met dat verschil dat de stap van een berichtendienst volledig overgeslagen wordt. Immers, die zit geïplementeerd in de site en applicatie zelf en kan niet los gebruikt worden.

Het moeilijkste, zoals met veel verslavende sites, gaat het loslaten zijn en het opnieuw leren denken en handelen wat betreft de publicaties rond het schilderen. Het vluchtige en veelal voor entertainment bedoelde van Instagram zal plaats mogen maken voor een wat meer uitgedachte manier van publiceren. Hoe vaak schrijf ik iets? Hoe vaak laat ik foto’s of video’s zien van mijn werk en de activiteiten daar rondheen? Volgens mij kan het sowieso een stuk minder, want deze website leent zich niet voor zulke luchtigheid. Een mate van kwaliteit zal toch gehandhaafd moeten worden, zonder prententieus te worden, uiteraard.

Deze verandering zal in ieder geval veel ruimte geven voor experimenten en voor een zoektocht naar een “alternatieve” manier van presenteren en publiceren. De aanhalingstekens staan er als milde vorm van sarcasme, omdat het niet zo alternatief is, eerder een teruggrijpen naar de dagen van weleer. Misschien in een nieuw jasje, misschien met nieuwe technologie, daar ben ik nog niet over uit.

Een paar dingen zijn wel wenselijk, zoals de implementatie van een online winkel met crypto valuta als betalingswijze. Een alternatieve vorm van interactie met de bezoekers, jullie dus, zal ook bedacht moeten worden, omdat het gewone reactie systeem nauwelijks gebruikt wordt. Uiteindelijk is het volledig zonder tussenpersonen werken het doel en is mijn publiek, jullie, gebaat daarbij.

Het enige wat hetzelfde blijft en zich gestaag door blijft ontwikkelen, is het schilderen. Mijn liefde daarvoor is grillig met momenten, maar nooit minder of vlak. Daar zal geen computer invloed op kunnen uitoefenen, laat staan dat enige website gaat bepalen wat en hoe dingen gedaan worden in mijn knusse atelier.

Over een dikke week, misschien twee, herhaal ik een uitbreiding van een project wat al 11 jaar gaande is: het Raam-Museum. En dat vraagt om nieuwe werken, informatie voor bij de werken en natuurlijk een presentatie die aantrekkelijk is voor het passerende publiek. Er is een extra verrassing daarbij die nog wat extra werk geeft, maar zo hard nieuw en origineel in deze stad, dat het het zweten waard is. Wat dat is, kan ik nu nog niet gaan zeggen, want dat zou het leuke er afhalen. Nog even wachten voor jullie…

Een klein paradijs in een wereld die de weg kwijt is. Een artistieke oase die je deelt met andere creatievelingen, allemaal keurig geselecteerd op basis van de, meer dan twintig jaar, ervaringen en kennis van de bezieler van La Ville Perdue (De Verloren Stad), Bob Minne. En potdomme, ik kan je verzekeren dat het fijn was.

Schilderen is voor mij een solitaire bezigheid, maar wanneer je eenzaamheid opgedrongen wordt door abstracte zaken als overheid, is het andere koek. Dan verwordt het solitaire, het romantische deel toch, tot een ware hel, een atelier wat verandert in een cel vol ongenoegen. Dat mocht absoluut niet gebeuren van Bob en zodoende was Atopia geboren: a-typisch, utopisch, artistiek bewogen en bovenal gedreven door warmte, rust en liefde.

Daar zat ik dan ineens: een gigantische werkruimte, groter dan mijn studio-appartementje, goed verwarmd, met een joekel van een canvas voor me en veel kleinere rond mij heen. Zoals thuis mijn materiaal hutje-mutje op elkaar staat, zo kon het nu keurig uitgesorteerd en ruim naast elkaar staan. Ademruimte in een wereld waarvan de keel alsmaar dichter geknepen wordt door bestuurders, gecontroleerd en geïndoctrineerd door mensen die veel liever thuis zitten bij hun familie en vrienden. Fraai is dat niet te noemen en over de manieren kun je nu al boeken volschrijven. Maar genoeg geklaagd over wanbeleid en gebreken aan inzicht en kennis.

Ineens kon ik zowaar tien meter afstand nemen van de ezel, zonder te struikelen over een van de kinders. Zo noem ik mijn schilderijen, want ja, ik hou van ze, maak en zie ze graag. Dat was echt even wennen, net als het gezelschap: twee briljante dames die ook elk hun eigen ruimte om te werken hadden voor twee maanden. Iedereen ging op hun eigen manier om met de ruimtes die ze hadden. Zalig om eens binnen te kunnen piepen bij een collega, grote tas koffie in de hand, om materiaal, methodiek en beweegredenen te vergelijken.

Solitair werkende mensen een dergelijke kans geven opent niet zomaar nieuwe mogelijkheden, want we bleven werken zoals we altijd deden, maar het beleven van elkaars hart en ziel maakten van dit avontuur een ganse ervaring. De tien maanden daarvoor waren voor mij met momenten een absolute hel: eenzaamheid maakt kapot, zeker wanneer het geen keuze is. Mijn vrienden hadden dat snel door en zo is de schade beperkt gebleven door binnen de nieuwe, telkens wisselende, doctrines naar manieren te zoeken. Zouden die bestuurders doorhebben hoeveel dat ze aan het kapot maken zijn?

Een ander ding wat me zeer beviel, was dat ik nu gewoon Martinus was en niet een nationaliteit om uit te kakken en te generaliseren. Ik heb in deze tijd veel gesprekken en fijne momenten gehad waarbij het om inhoud ging of simpelweg over een tube verf. Verschillende dips heb ik meegemaakt, want wie mijn leven kent, weet dat comfort niet gans een onderdeel daarvan uitmaakt. Laat staan liefde. Dat laatste nog steeds niet, behalve naastenliefde: of ik wilde of niet, die moest ik gewoon accepteren. En langzaam bloeide ik open en begon te genieten van al die spirituele warmte. En vergat dan weer te schilderen. Logisch.

Twee werken zijn er afgemaakt, maar de beoogde doelstellingen van produceren werden verre van gehaald. Hoe kan het ook anders: het waren nieuwe ervaringen, die allemaal een plaatsje nodig hadden in dat vereenzaamde en bijna uitgedoofde hart. Er zat nog wat gloed in, maar de broodnodige zuurstof, het creatieve oppoken en aanvullen met nieuwe brandstof maakten van dat smeulende hoopje weer een vuurtje en dat brandt nu zorgvuldig onderhouden en geliefd. Geen grote brandhaarden die snel weer doven, maar klein en heel eenvoudig mij warm houden en doen glimlachen.

Ergens bijhoren is een zeer menselijk iets, een gegeven wat steeds minder in mijn bestaan lag. Hoe graag een mens ook wil, wanneer extern opgelegd en bepaald wordt voor jou, door bestuurders en gewone kortzichtigen, leg je je er op gegeven moment maar bij neer. Het is nog net geen opgeven, want dat plezier gun ik niemand. Dat is al zeer grof ervaren geweest en zal niet nog eens gebeuren. Ik ben geen dolende ziel, maar een mooie-dingen-maker met een duidelijk doel in het hoofd. Een doel wat bij elk werk weer duidelijker wordt en soms overschilderd, want zo gaat dat met doelen en de wegen die er naartoe leiden. Dat is geen rechte lijn, dat màg geen rechte lijn zijn, want hoe saai is dat?

In een Verloren Stad is het plezant wonen. Je bepaalt je eigen huis, maakt het zoals jijzelf wil en werkelijk niemand in die Stad zegt dat het goed of fout is. De constructie, de basis, het fundament, daarbij helpen de stadsgenoten, maar hoe het er uitziet of gaat zien, dat is jouw droom, die mag je maken zoals jij wilt. Zonder toestemming, zonder opdringerige regels, zonder intimiderende en afgunstige buitenstaanders. Een gevoel van geborgenheid, van veiligheid, van warmte, allemaal met voldoende speelruimte, maken van een mens zijn ideale zelf. De buren in die stad doen precies hetzelfde en heel vreemd, maar het werkt beter, want het stoort niet.

Naastenliefde, rust, warmte en ruimte heb ik mogen ervaren als een gewoon en dagdagelijks feit. Ik kijk uit naar een volgend samenwerken en weet dat wanneer het even niet gaat, ik zo bij die nieuwe, zelfgekozen, buren op bezoek kan gaan. Al was het maar met een bericht of gekke brief.

Terug naar de ezel, want er zijn nog twee dagen om iets af te hebben voor het nieuwe jaar begint. Een nieuw jaar waarin het onzekere de hoofdrol speelt, zo gaat dat met de toekomst, maar waar een lichtpuntje in ieder geval de koers uitzet en naastenliefde de drijfveer is. Laat dat kacheltje maar lekker en zorgvuldig branden, dan komt de liefde vanzelf wel, om zich te warmen en te verpozen.

J’aime vivre dans la Ville Perdue et vous n’avez pas besoin d’adresse pour me trouver: suivez la chaleur.

Martinus.



Na een tijdje niets gepost te hebben, waarvoor excuses, zijn er enkele projecten afgerond of bijna afgerond. Jeansjacks en canvassen in olieverf stonden (en staan) er op het programma. Heel erg tof om te doen, met resultaten die me met momenten zelfs tevreden maken. De wonderen zijn de wereld nog niet uit, he?

Jeansjacks heb ik al sinds mensheugenis beschilderd en dat blijft zo nu en dan terugkomen als noodproject, om het wachten op het drogen aangenamer te maken. 😉

Ditmaal gaf m’n agente me de uitdaging om met een losse pols die van haar te beschilderen, gewoon om eens te zien wat het zou brengen. Flink opgewarmd daardoor, besloot ik om die van mezelf eens een flinke metamorfose te geven. Daar stond een zombiekop op en de beslissing daarover viel toen ik met het jasje aan over straat liep en twee kinderen begonnen erom te huilen. Geen goede reclame en het representeerde mijn werk ook niet.

De eerste is dus van Eveline (Varo) en ze is er duidelijk heel content mee. Zo heb ik dat graag: mensen die met een trotse glimlach en hun wens gerealiseerd het atelier uitstappen. Of toch na een koffietje of twee, drie.

Kersenbloemen voor Varo
Shoshin – een begrip uit het Zen-boeddhisme wat staat voor “leren met de geest van een pasgeborene” en is het ultiem haalbare met leren in voornoemde levenswijze.

Het tweede jasje had iets meer voeten in aarde, omdat er over een ander (en beschadigd) werk heen geschilderd moest worden. Het werk moest laten zien wat m’n grootste invloed is: alchemie. Het goud staat voor transformatie en het middenstuk staat voor het universum, de bron waaruit alles voortkomt en naar teruggaat, het perpetuum. De voelsprieten wijzen naar de lege cirkels in het bovendeel, wat staat voor nog niet ontdekte mogelijkheden, het grote onbekende. De driehoek staat voor inspiratie en het veranderen van perspectief, dat laatste is verbeeld door een iridescent pigment te gebruiken, wat verandert van kleur naar gelang de hoek van kijken verandert. De structuurformule in de driehoek is van lysergeenzuurdi-ethylamide.

Ik vond een selfie iets teveel van het goede en een oude deur werd het contrasterende decorum.

De grootste verandering, buiten de herinrichting van mijn atelier, is het gradueel overstappen naar olieverf. Begin dit jaar begonnen de beperkingen van acrylverf me steeds meer tegen te steken. Dat werd opgepikt door Varo (zie jasje met kersenbloesem en shoshin) en ze bezorgde me een doos met allerlei tubes olieverf, een fles medium en de opmerking “Stop met zagen, gekke schilder. Probeer eens.”
Het werk in de foto is met gemengde techniek gedaan: de achtergrond in acryl en de mantis is helemaal gemaakt met glaceer technieken, ook de details. Er is een wereld voor me open gegaan, met als gevolg dat er nog twee werken onderweg zijn. Het duurt enorm lang vanwege de droogtijden, zeker wanneer er impasto technieken zijn gebruikt. Dat duurt nog langer vanwege de hoeveelheden verf die ineens aangebracht worden, zowel met penseel als paletmes. De mogelijkheden lijken wel oneindig. Maar goed, hier is dus mijn eerste olieverfschilderij (met acryl achtergrond):

Het is nog niet vernist en gesigneerd, vandaar het watermerk. De foto doet de kleuren, nuances en details geen eer aan. Een goede camera staat op mijn verlanglijstje. 😉

Een tussendoortje wat opzien baarde in de straat, was mijn brievenbus. Zoals de meeste brievenbussen in de stad (Gent), had deze ook een hoog “achterbuurt-gehalte”: vol stickers met een doolhof aan boodschappen. Plus heel onduidelijk het huisnummer daarover geverfd. Orde en netheid waren nodig en omdat ik dus in Gent woon, met veel plezier en best tevreden ook, was het een must om blauw en wit als kleuren te gebruiken. Dat zijn de kleuren van de voetbalclub alhier en al ben ik absoluut geen liefhebber van voetballen, de kleuren staan ook symbool voor deze mooie stad. Dus, bij deze:

Van zeker vijftien naar twee (noodzakelijke) stickers en duidelijk mijn huisnummer in de kleuren van de stad. Negenduust! 🙂

Dat was het dus voor het moment, nu weer terug het atelier in. Op naar de avonturen met olieverf en hier en daar een tussendoortje.