Hoe een alledaags object kan veranderen naar een object dat bijzonder is voor iemand fascineert me enorm. Doorgaans goede ontwerpen verrijken met wat vormen en kleuren die je er niet op verwacht hebben hun wortels in mijn graffiti-verleden. Het is een omgaan met heimwee naar een tijd die al lang niet meer is, maak ik mezelf wijs, terwijl er driftig getekend en geschilderd wordt op andere mensen hun, dierbare, bezittingen. Een materialist kun je me niet noemen, toch niet in de economische zin, maar materie is verbonden aan geest of andersom. Zonder de materie zal de geest niet kunnen bestaan.

Die drang naar mooie-dingen-maken, om het even op welke ondergrond dan ook, heeft geen echte bron. Het bestaat gewoon, net als dat het universum gewoon bestaat, Moeder Natuur overal is of Moeder Karma zo nu en dan eens komt buurten. Er is geen wil om die bron te vinden, laat staan te zoeken, want het doen neemt met momenten de ganse dag in beslag. Of dagen, dan weer schilderend en tekenend, dan weer piekerend tot laat in de avond.

De objecten zijn ook een fijne afwisseling van de canvassen, want het idee bestaat soms dat die laatsten zonder nut zijn. Niemand vraagt erom, ze worden hooguit bekeken op een expositie of in mijn Raam-Museum. Mooi, maar functieloos. Objecten worden gebruikt, neergezet of op gezeten, prominent in vitrines geplaatst of mee gespeeld. Let wel: ook al adopteert men amper tot geen canvassen, dat weerhoudt mij niet ervan om ze te blijven maken, integendeel zelfs. Schilderen en maken wordt als eerste gedaan voor mijzelf, om een gekke drang te kunnen bevredigen. Daarna komt het publiek pas.

Bij objecten is dat eerder andersom: die zijn doorgaans voor een publiek, want er wordt sowieso om gevraagd. Ze dienen dan altijd een functie, al was het maar ter decoratie onder een glazen stolp.

Enfin, straks kruip ik weer mijn kleine atelier in, ditmaal om objecten te gaan schilderen. Op canvas welteverstaan.

Hiroshima Smile — 100 * 100 cm, acryl op canvas, geschilderd in 2018

De twee grootste terreuraanslagen uit de geschiedenis van de mensheid. De reflectie van de daden in haar blinde ogen, de gloed van de derde die nog komt in haar verbrande gezicht. Op de achtergrond het misplaatste, vervuilde en verkreukte symbool van de wanstaltige daders.

Al elf jaar woon ik in een studio-appartement in het centrum van Gent. Prachtige ramen, aan de straatkant, op de begaande verdieping. En al vanaf de eerste dag worden er schilderijen en andere werken in die ramen gezet, zodat mensen ernaar kunnen kijken. En reken maar dat het veel mensen zijn die er dagelijks passeren. Nu hangen er ook wat graffiti-werken van me in de straat, dus mensen kunnen goed de evoluties zien in de loop der tijd.

Enkele jaren geleden kwam een buurman naar me toe met de vraag of ik werken in zijn ramen wilde zetten. Dat was niet tegen dovemansoren gezegd en het raam-museum kreeg er een plus bij! Sinds die tijd maak ik gebruik van zijn ramen en zijn er al verschillende experimenten en exposities geweest: een dertien-luik dat in abstractie het ontstaan en vergaan van het heelal uitbeeldde, grafieken en natuurlijk de schilderijen van afgelopen jaren.

Nu we met Corona zitten en de bijkomende maatregelen, is het moeilijk iets organiseren waarbij je veel mensen kunt laten samenkomen. Het Raam-Museum in de plus-versie is daar uitermate geschikt voor! In de straat is geen verplichting om een mondmasker te dragen, er is meer dan voldoende ruimte om afstand te houden en bijkomend is het gewoon de verantwoording van de passanten zelf hoe veilig ze willen zijn. Makkelijker kan bijna niet.

Het is (nu nog) kleinschalig, maar hoe klein ook: er zijn niet veel galerieën die zoveel passanten (of bezoekers) hebben. Op werk- en schooldagen zijn het al snel enkele honderden mensen op één dag. Da’s niet slecht. En ook al kijken ze niet allemaal of hebben ze het al gezien, dat geeft niet. Er zijn zelfs mensen uit andere delen van de stad die om-fietsen of wat extra meters wandelen om naar de nieuwigheden te komen kijken. Dan heb ik de toeristen nog niet eens meegeteld.

Enfin, kom snel naar Tussen het Pas en aan de Nieuwbrugkaai in Gent en bezoek m’n kleine Raam-Museum (+)!! Tot binnenkort?

Over een dikke week, misschien twee, herhaal ik een uitbreiding van een project wat al 11 jaar gaande is: het Raam-Museum. En dat vraagt om nieuwe werken, informatie voor bij de werken en natuurlijk een presentatie die aantrekkelijk is voor het passerende publiek. Er is een extra verrassing daarbij die nog wat extra werk geeft, maar zo hard nieuw en origineel in deze stad, dat het het zweten waard is. Wat dat is, kan ik nu nog niet gaan zeggen, want dat zou het leuke er afhalen. Nog even wachten voor jullie…

Een klein paradijs in een wereld die de weg kwijt is. Een artistieke oase die je deelt met andere creatievelingen, allemaal keurig geselecteerd op basis van de, meer dan twintig jaar, ervaringen en kennis van de bezieler van La Ville Perdue (De Verloren Stad), Bob Minne. En potdomme, ik kan je verzekeren dat het fijn was.

Schilderen is voor mij een solitaire bezigheid, maar wanneer je eenzaamheid opgedrongen wordt door abstracte zaken als overheid, is het andere koek. Dan verwordt het solitaire, het romantische deel toch, tot een ware hel, een atelier wat verandert in een cel vol ongenoegen. Dat mocht absoluut niet gebeuren van Bob en zodoende was Atopia geboren: a-typisch, utopisch, artistiek bewogen en bovenal gedreven door warmte, rust en liefde.

Daar zat ik dan ineens: een gigantische werkruimte, groter dan mijn studio-appartementje, goed verwarmd, met een joekel van een canvas voor me en veel kleinere rond mij heen. Zoals thuis mijn materiaal hutje-mutje op elkaar staat, zo kon het nu keurig uitgesorteerd en ruim naast elkaar staan. Ademruimte in een wereld waarvan de keel alsmaar dichter geknepen wordt door bestuurders, gecontroleerd en geïndoctrineerd door mensen die veel liever thuis zitten bij hun familie en vrienden. Fraai is dat niet te noemen en over de manieren kun je nu al boeken volschrijven. Maar genoeg geklaagd over wanbeleid en gebreken aan inzicht en kennis.

Ineens kon ik zowaar tien meter afstand nemen van de ezel, zonder te struikelen over een van de kinders. Zo noem ik mijn schilderijen, want ja, ik hou van ze, maak en zie ze graag. Dat was echt even wennen, net als het gezelschap: twee briljante dames die ook elk hun eigen ruimte om te werken hadden voor twee maanden. Iedereen ging op hun eigen manier om met de ruimtes die ze hadden. Zalig om eens binnen te kunnen piepen bij een collega, grote tas koffie in de hand, om materiaal, methodiek en beweegredenen te vergelijken.

Solitair werkende mensen een dergelijke kans geven opent niet zomaar nieuwe mogelijkheden, want we bleven werken zoals we altijd deden, maar het beleven van elkaars hart en ziel maakten van dit avontuur een ganse ervaring. De tien maanden daarvoor waren voor mij met momenten een absolute hel: eenzaamheid maakt kapot, zeker wanneer het geen keuze is. Mijn vrienden hadden dat snel door en zo is de schade beperkt gebleven door binnen de nieuwe, telkens wisselende, doctrines naar manieren te zoeken. Zouden die bestuurders doorhebben hoeveel dat ze aan het kapot maken zijn?

Een ander ding wat me zeer beviel, was dat ik nu gewoon Martinus was en niet een nationaliteit om uit te kakken en te generaliseren. Ik heb in deze tijd veel gesprekken en fijne momenten gehad waarbij het om inhoud ging of simpelweg over een tube verf. Verschillende dips heb ik meegemaakt, want wie mijn leven kent, weet dat comfort niet gans een onderdeel daarvan uitmaakt. Laat staan liefde. Dat laatste nog steeds niet, behalve naastenliefde: of ik wilde of niet, die moest ik gewoon accepteren. En langzaam bloeide ik open en begon te genieten van al die spirituele warmte. En vergat dan weer te schilderen. Logisch.

Twee werken zijn er afgemaakt, maar de beoogde doelstellingen van produceren werden verre van gehaald. Hoe kan het ook anders: het waren nieuwe ervaringen, die allemaal een plaatsje nodig hadden in dat vereenzaamde en bijna uitgedoofde hart. Er zat nog wat gloed in, maar de broodnodige zuurstof, het creatieve oppoken en aanvullen met nieuwe brandstof maakten van dat smeulende hoopje weer een vuurtje en dat brandt nu zorgvuldig onderhouden en geliefd. Geen grote brandhaarden die snel weer doven, maar klein en heel eenvoudig mij warm houden en doen glimlachen.

Ergens bijhoren is een zeer menselijk iets, een gegeven wat steeds minder in mijn bestaan lag. Hoe graag een mens ook wil, wanneer extern opgelegd en bepaald wordt voor jou, door bestuurders en gewone kortzichtigen, leg je je er op gegeven moment maar bij neer. Het is nog net geen opgeven, want dat plezier gun ik niemand. Dat is al zeer grof ervaren geweest en zal niet nog eens gebeuren. Ik ben geen dolende ziel, maar een mooie-dingen-maker met een duidelijk doel in het hoofd. Een doel wat bij elk werk weer duidelijker wordt en soms overschilderd, want zo gaat dat met doelen en de wegen die er naartoe leiden. Dat is geen rechte lijn, dat màg geen rechte lijn zijn, want hoe saai is dat?

In een Verloren Stad is het plezant wonen. Je bepaalt je eigen huis, maakt het zoals jijzelf wil en werkelijk niemand in die Stad zegt dat het goed of fout is. De constructie, de basis, het fundament, daarbij helpen de stadsgenoten, maar hoe het er uitziet of gaat zien, dat is jouw droom, die mag je maken zoals jij wilt. Zonder toestemming, zonder opdringerige regels, zonder intimiderende en afgunstige buitenstaanders. Een gevoel van geborgenheid, van veiligheid, van warmte, allemaal met voldoende speelruimte, maken van een mens zijn ideale zelf. De buren in die stad doen precies hetzelfde en heel vreemd, maar het werkt beter, want het stoort niet.

Naastenliefde, rust, warmte en ruimte heb ik mogen ervaren als een gewoon en dagdagelijks feit. Ik kijk uit naar een volgend samenwerken en weet dat wanneer het even niet gaat, ik zo bij die nieuwe, zelfgekozen, buren op bezoek kan gaan. Al was het maar met een bericht of gekke brief.

Terug naar de ezel, want er zijn nog twee dagen om iets af te hebben voor het nieuwe jaar begint. Een nieuw jaar waarin het onzekere de hoofdrol speelt, zo gaat dat met de toekomst, maar waar een lichtpuntje in ieder geval de koers uitzet en naastenliefde de drijfveer is. Laat dat kacheltje maar lekker en zorgvuldig branden, dan komt de liefde vanzelf wel, om zich te warmen en te verpozen.

J’aime vivre dans la Ville Perdue et vous n’avez pas besoin d’adresse pour me trouver: suivez la chaleur.

Martinus.



Kan niet anders zeggen dat ik heel trots ben om mee gedaan te hebben aan een documentaire over graffiti. Niet zomaar eentje, maar een verhalen-structuur en tijdslijn-toevalligheden die voor veel graffitischrijvers herkenbaar is. Het is een soort van cumulatie van verschillende werelden en belevingen van exact hetzelfde, namelijk de opkomst van één van de grootste sub-culturen die de kunstwereld ooit heeft gezien.

Niet street art, het commerciële derivaat van graffiti, maar schrijven, bomben, pieces knallen, achtervolgd worden, stelen en wat al niet meer om een onbekende energie, een virus, de zin te geven. Het heeft mijn leven voor een goed deel bepaald en in de documentaire kun je er achter komen dat het best veel levens zijn waarin de kunstvorm een duidelijke rode draad is. Het zijn geen commerciële schilders, geen sponsoring of hogere middenklasse, maar komend uit een onderbuik die ineens de onze was in een tijdperk van atoombommen en het begin van de uitverkoop van onze samenleving. Het document heeft, zonder er nadruk op te leggen, een tijdsgeest van weleer, terwijl het nu de sporen daarvan laat zien.

De chronologie van de mensen in het document verbaasde me wel en niet. Het verbaasde niet omdat graffiti nu eenmaal in opkomst was en populair werd in die tijd, maar het verbaasde wel hoe dat zoveel individuen, onafhankelijk van elkaar, op hetzelfde idee kwamen en dezelfde routes aflegden om tot een gelijk en eensgezind doel te komen: zo goed mogelijk worden en zoveel mogelijk dingen maken binnen het kader van beperktheid. Alleen al dat laatste was een uitdaging voor iedereen, met elk zo hun oplossingen, gaande van netjes opdrachten doen tot proletarisch entrepreneuren. En alles daartussen.

Het zijn zalige verhalen van geliefde momenten, van herinneringen, met enkele namen daarin die blijven terugkeren, maar niet geïnterviewd zijn. En dat maakt dit document net iets meer speciaal, want de terugkerende namen weten volgens mij niet eens hoeveel invloed ze hadden op hun omgeving. Puur omdat ze bezig waren met hun ding en schijt hadden aan de rest. Dat gaf goede graffiti met een grote golf aan nieuwe schilders en schrijvers als gevolg. Enzovoorts.

En weet je, niemand van ons had door wat we aan het doen waren. We deden en doen ons ding, zonder echt te zien tot wat voor fenomeen het eigenlijk uitgroeide, hoe groot en uitgebreid. Telkens wanneer dat besef valt, zie je een bescheidenheid opkomen, een verlegenheid, maar zeker ook trots. Ik weet zeker dat al die mensen die in die tijd schilderden met een glimlach terugkijken en daarna weer jeukende vingers hebben. En een throwup gaan zetten, of een piece of weer terug beginnen taggen. Of toch op zijn minst door hun oude blackbooks bladeren. Want het gaat nooit uit je: graffiti is een virus en wel eentje van het plezante soort.

Veel kijk plezier!

Dat het niet altijd op canvas is, weten jullie al. Maar ditmaal is het net iets meer speciaal: op karton, maar voor in de huid. “Kleurige kwallen” was het verzoek en”zie maar hoe je het doet” de opdracht. 🙂 Zo heb ik het graag. Dat is een teken van vertrouwen en mijn stijl/manier van werken heeft de voorkeur, wat op zich altijd een compliment is. 🙂

De eerste schetsen met de uiteindelijke tekeningen, acryl en inkt op karton (2020)

Canvas is duidelijk niet het enige waarop geschilderd kan worden. Muren, garagedeuren, auto’s, noem het maar, zijn de revue al gepasseerd. Zo ook karton en papier, een materiaal wat heimelijk een voorkeur heeft, zeker vanwege de fysische eigenschappen zoals absorptie en textuur. Afgelopen week lag de focus op een klein werk, waarbij ik acrylverf en zogenoemd mixed-media karton heb gebruikt.

De keuze voor dit soort karton was makkelijk: het rimpelt en bubbelt niet zo snel, ook niet bij waterige verdunningen van de verf of bij het fixeren en vernissen van de tussenstappen en het uiteindelijke werk. De kostprijs van het materiaal past ook beter bij een experimentele fase als deze. Het reflecteert ook meer de tijd waarin we worden gedwongen om te leven. Het is dus niet een stap terug, maar een kleine zijweg die gaat over adaptatie en anticipatie.

Ik ga er nog meer maken, al was het maar vanwege het plezier wat er door het materiaal is. Het is minder robuust dan canvas, maar het verfijnde van het oppervlak (zijdeachtig glad) lokt me uit de tent en inspireert. Best gek hoe dat het veranderen van oppervlak zo’n effect kan hebben op de geest. Ja, straks een volgend stuk afplakken en prepareren voor een nieuw werk.

Tot een volgende keer,
Martinus. 🙂

Zo door de jaren heen heb ik jeansjassen beschilderd en met veel plezier ook. De laatste maanden zijn er weer een paar bijgekomen, maar nu is er een doel: een collectie aanleggen voor een nog niet nader te noemen project. 🙂

Hier volgen wat voorbeelden om een idee van de evolutie te krijgen (ze staan op chronologische volgorde, de oudste (Demon) is van 2016, de nieuwste is de laatste (de tijger, 2020):

Om nog wat meer jasjes in de collectie te kunnen hebben, wil ik graag een oproep doen aan jullie. Wanneer je een jeansjas hebt liggen en dit niet meer wilt dragen of hebben, mag je het komen brengen of opsturen. Zie de contactpagina voor gegevens! 🙂 Kleine notitie: geen stretchstof. Die is beu om te beschilderen. Enkel jeansjassen. Alvast bedankt!! 🙂

Acryl op canvas, 24 * 30 cm

Dit jaar staat in het teken van uitbreiding en verfijning, of te wel: met olieverf gaan schilderen. Ik ben nu met de laatste drie werken bezig die volledig in acryl geverfd (gaan) zijn, daarna stap ik gradueel over naar olieverf.

Dit doe ik vanwege de duurzaamheid van de werken, de is nu al goed, maar het kan beter. Acryl blijft een kunststof/plastic en heeft best straffe oplosmiddelen nodig bij het kuisen/verdunnen/verwerken. Met olieverf blijft het bij terpentijn en zijn er verder geen grove middelen nodig om ermee te werken.

Het uiteindelijke doel is om zeer kleurkrachtige werken op een zo duurzaam mogelijke manier te schilderen, met als achterliggende gedachte dat ik over vijftig jaar nog steeds van die mooie dieren tegenkom en vast kan leggen.