Bedelaars en mosterd
Enkele jaren geleden liepen Maestro en ik door een winkelstraat in het Gentse, gezellig keuvelend over alles wat met kunst en muziek te maken had. Zelfs onbewust ben ik iemand die gefixeerd is op patronen en regelmatigheid en plots maakte ik de opmerking dat de bedelaars in een zigzag-patroon om-en-om door de hele straat zaten in houdingen die leken op van die oude beelden uit de kerken. Mijn Maestro antwoordde dat het inderdaad poses waren en ik er vanuit kon gaan dat dit geheel georganiseerd en best een schande was.
De goede man had een halve wereld gezien, was vroeger koster en had daardoor een mensenkennis waar ik fier op zou zijn. Zo iemand geloof je en zulke momenten blijven ook bij, zeker bij het wandelen door de stad wordt er aan gedacht. Het is onvermijdelijk om het niet te zien en ondervinden, op de markten zie je de mensen met hun bekertjes zitten. In slagorde, om-en-om, maar niet in een zig-zag patroon. Daar lenen de smalle paden zich niet voor.
De vrouwen hebben allemaal hetzelfde bordje met maar één verschil: het aantal kinderen wat ze hebben. De mannen zitten altijd aan de uiteinden van de paden, de vrouwen op de kruispunten in het midden en aan de zijkanten. Eén ding behoort niet tot de patronen en dat is de man die deze mensen afgaat, het geld wat ze gekregen hebben moeten ze afgeven. En het viel op dat wanneer de hoeveelheid hem niet aanstond, hij behoorlijk fel en grof tegen ze tekeerging.
Nu snap ik het geheel plots veel beter, namelijk het feit dat deze mensen “in dienstverband” het winkelende publiek geld proberen af te troggelen middels manipulatie en “overkill” en dit dan afgeven aan iemand die nooit tevreden is. Wat is het verschil met de kramen en vooral winkels in de stad? Beide ondernemingsvormen lijken verdomd veel op elkaar en zijn dan ook, naar mijn mening, even legitiem.
Ik hoor heel vaak dat bedelen niet kan in een rijke maatschappij als de onze, maar is dat wel helemaal correct? De samenleving als de onze is hiërarchisch, waarbij vele kleintjes de groten voeden en voorzien van puissante rijkdommen. Iedereen brengt in, op wat voor manier dan ook, zodat deze behoorlijk onevenredige verhouding in stand blijft. De mensen die moeten bedelen voor hun geld, georganiseerd of niet, staan in principe op gelijke voet met al die kleintjes.
Wij zijn niet meer of minder dan hen, omdat hetzelfde principe op ons van toepassing is: middels onderwerping, mentale en fysieke ongemakken die het gevolg zijn incluis, proberen te overleven. En de mentaliteit van “de ophaler” is in principe hetzelfde, met dien ten verstande dat bij ons niet zo snel een aframmeling of scheldpartij volgt op een mindere prestatie. Daar hebben chantage en psychologische druk als wapentuig de voorkeur, al denk ik dat het bij onze bedelende medemensen er nog eens bijkomt, maar dat terzijde.
Zo beschouwd leven we eigenlijk maar in een samenleving van dreiging, angst, hebzucht, egoïsme, pijn, verdriet en haat. Flink negatief klinkt het, maar je weet maar al te goed dat we vaak het hoofd afwenden bij het benaderen van een kleine glimp ervan. Ontkennen we daarmee onze waarneming of ons eigen bestaan? Dat is een vraag die wel meer mensen zich stelden – het antwoord is gewoon beiden en maakt het inderdaad een schande.
Natuurlijk is het niet allemaal zo zwart als ik het heb beschreven, het voelt toch niet zo, maar leef eens een tijd buiten de maatschappij en bewonder mijn gelijk. Gooi er nog een berg ervaringen vanuit diverse eigen perspectieven, van arm tot gegoed, bij en je zult merken dat het niet is zoals we het liefst geloven. Dan is er hoop, iets wat we ook door geloven hebben gekregen, want het kost immers maar weinig energie om te denken dat het allemaal wel beter wordt dankzij niet bestaande of bewezen krachten.
Geld geven is niet de oplossing, zo doorbreken we niet hun armoede en zullen ze alleen maar meer onder dwang en dreiging moeten doen. De kans ontnemen om te vragen om geld, maakt hun leven meer miserabel en dat van ons niet achtenswaardig. Evenmin door de mensen te negeren, iets waar ik mezelf soms op betrap, valt hier iets aan te doen. Toch is het niet schrijnend of hopeloos.
Een kleine verandering in denken en vooral handelen kan niet alleen de mensen die niets of minder hebben helpen. Zo snel mensen echt weten dat ze gelijken zijn, is de drempel van schaamte verdwenen. Tel daar een flinke toename in mededogen bij op en we zijn op de goede weg. Boeddhisme in een notendop. Dat is overigens een levenswijze, geen religie, zodat het wel toepasbaar en dienend is, in tegenstelling tot al die onzin die toegejuicht wordt en niets meer omhelst dan een corrupte ideologie. Deze, niet mis te verstane, mening wekt misschien de indruk dat ik een atheïst ben, maar je mag rustig weten dat ik zelfs het atheïsme als religie beschouw en daarom verafschuw.
De mensen die bedelen zijn, net als iedereen, het slachtoffer van een maatschappij en cultuur die berusten op voortgang, niet vooruitgang. Maar wie ben ik? Geenszins een goeroe of meester in de wijsbegeerte, laat staan dat ik weet waar de mosterd vandaan komt (de koelkast?).
Maternitus.
Tags: armoede, bedelen, economie, gent, rijkdom, samenleving, sociologie






















