
Martin Hoevenaar zag het levenslicht op 12 februari 1970 te Ermelo, Nederland. Het verhaal gaat dat op het moment dat hij geboren werd het begon te sneeuwen. Miraculeus zou men het niet kunnen noemen, wel wat vreemd, volgens Martin. Die meent dat een flinke onweersbui eerder op zijn plaats zou zijn. Afijn, er gaan wel meer verhalen over deze man rond en om ze wat te voeden volgt hier een korte biografie.
Op behoorlijk jonge leeftijd (drie jaar!) leerde hij de grondbeginselen van het lezen en dat zou zijn redding blijken in de jaren die erop volgden. Het tekenen ontdekte hij eigenlijk eerder, maar veel verder dan het kapot eten van potloden en zichzelf insmeren met verf kwam hij toen nog niet.
Het begon eigenlijk leuk te worden, toen de boekjes van Spiderman, Archie, Fantastic Four en andere illustere wereldredders in zijn bezit kwamen. In een korte tijd werden de helden uit de comics nagetekend en vervolgens in de prullenbak gegooid. Niet origineel genoeg, volgens meneer.
Daar werd de Eerste Stelling van Hoevenaar mee geboren: “Natekenen is leuk om te leren als je geen fantasie hebt.” (We spreken hier inmiddels over de leeftijd van negen jaar.)
Na een duistere periode van drie jaar, waarin nauwelijks iets werd gemaakt, begonnen er dingen te openbaren voor Martin. Bij het verkrijgen van een eigen spaarboekje, moest er een handtekening bedacht worden. Natuurlijk werd die van zijn moeder nageaapt uit tactische overwegingen: het kon immers geen kwaad die van haar ook te kennen in geval van een slecht rapport. De interesse voor letters, handschriften en snel schrijven was geboren.
Gewapend met een kleine Edding viltstift (bedoeld voor schoolse activiteiten) trok hij van elektriciteits kastje naar lantaarnpaal en werd het dorp voorzien van een geheel nieuw fenomeen: graffiti. Helaas was dit een project van korte duur, omdat het zetten van de eigen naam vrij opvalt. Een bijnaam was nodig en dat werd een zoektocht die mee zou helpen met begrijpen van stijlen, vormen en “conceptueel werken”.
Deze periode duurde tot zeker zijn vijftiende, tijd voor een tweede significante evolutie: een bezoek aan Boymans-Van Beuninghen en hun expositie over graffiti, met daarin vertegenwoordiging van Seen, Lee, Lady Pink, Quik, Rammelzee, Blade en Zephyr. Een heel nieuwe wereld ging er open, want zijn kleine handtekeningen en lettertekeningen vielen in het niets bij de immens grote werken van zijn nieuwe superhelden (die rol vervullen ze nog steeds, overigens).
Een andere held kwam er in dat jaar ook in zijn leven, de eerste graffiti spuiter uit Nederland die hij leerde kennen en Martin voor een aantal jaren onder de vleugels nam: Jorge Hoogendoorn aka Jazzy (later Jesic). Van hem leerde Martin principes als “outlines”, “highlights”, “flow”, “fatcaps” en veranderde de benadering tot letters. Buiten het feit dat ze voor lezen en schrijven gebruikt worden, kon je ze ook gebruiken voor vormgeving, rebels gedrag, het opnieuw decoreren van rijdende objecten en ga zo maar door. Het virus begon nu zeer hard te groeien, in een kleine drie jaar tijd ontpopte Martin aka Eros (later JerOne) zich tot een volleerd “urban decorator”.
Eenmaal onder de vleugels van zijn eerste meester vandaan gekropen, was het tijd om de wereld te gaan verkennen en werd de eerste reis naar de Verenigde Staten gemaakt (1989). New York, Washington, Philadelphia en Jersey City waren de plaatsen die tot op de laatste baksteen werden geanalyseerd (en bewerkt) en tevens werden er helden ontmoet uit de tijd dat de graffiti nog maar ontluikte in Nederland: Seen en Lady Pink. Je kunt wel snappen dat het graffiti virus zich alleen maar dieper nestelde in de hoofdrolspeler van deze biografie.
Nadat de opleiding aan de laboratoriumschool was afgerond (1990), was het ook tijd om onder de vleugels van moeder vandaan te kruipen en zocht hij zichzelf een plaats in Bergen op Zoom. De tijd die hij daar woonde was er een van nieuwe stijlen, maar ook van nieuwe kunstvormen en technieken leren: canvassen, airbrush, cartoons, comics en tattoo ontwerpen deden hun intrede. Ook werden er nieuwe meesters opgezocht: Tom Smolders (beeldend kunstenaar uit Bergen op Zoom) en Rinus van Fine Line Tattoo in Middelburg. Deze twee mannen leerden Martin over zaken als esthetica, handel, reclame en vooral ook dat een goede kunstenaar met beide benen op de grond moet blijven staan. Dat laatste geeft immers de eerlijkste kunst en de beste mens erachter. Dit heeft Martin geleend en omgevormd tot de Tweede Stelling van Hoevenaar: “Geen onzin en bullshit verkopen. Gewoon je dingen doen en de mensen hun eigen verhaal laten maken.”
In 1998 werd er een punt gezet achter de loopbaan op het research laboratorium van Cargill in Bergen op Zoom en moest er een duidelijke verandering komen in het leven van Martin. Hij koos, hoe vreemd, voor een opleiding tot multimedia designer en grafisch vormgever en rondde dat in twee jaar af.
Tijdens zijn stage bij Off_Corso (Rotterdam) werkte Martin samen met Kim en Hendrik-Jan van Test Ontwerpt en Jasper van Filtermedia. Deze mensen stimuleerden vooral zijn experimentele instelling en leerden hem dat je kunst moet beoefenen voor het plezier. Tegelijk lieten ze de geheimen van het grafisch ontwerpen en beeldmanipulatie zien, wat een derde evolutie veroorzaakte: schoonheid zit hem niet in het mooie van het beeld, maar in het mooie van het verhaal wat eruit volgt. Kortom, het verhaal moet gemaakt worden door de kijker, niet zozeer de maker (al moet deze zeer zeker wel zijn best doen om te zorgen dat het juiste verhaal ontstaat).
Als er rock ‘n roll jaren bestaan in het leven van een kunstenaar dan kun je de periode vanaf Off_Corso wel zo bestempelen: het ene feest na het andere werd bezocht. Beroemde kunstenaars, muzikanten, videojocks, televisie persoonlijkheden, dj’s, noem ze maar op, met elk van hen knoopte Martin gesprekken aan, schudde hun handen en leerde de andere kant kennen van het leven. Beroemd zou je hem nog niet kunnen noemen, maar hij had wel door dat dit een handige manier was om een naam te verwerven, al was het niet helemaal de manier die hij aanhing. Als jongen “van den buiten” was Martin vooral gewend hard te werken en volle bak te gaan voor alles wat je wil. Kruiwagens waren voor hem vooral bakken op één wiel om dingen in te transporteren, niet mensen die je helpen om heel snel roem en faam te verwerven.
Er volgde een periode die werd besteed aan graffiti, web design, een eigen radio station, maar de geest van het experiment begon er langzaam uit te gaan. Het werd tijd voor iets anders en het lot lachtte Martin toe: hij kreeg de kans om voor een tweede maal naar de Verenigde Staten te gaan. Wilde hij nog iets doen met zijn leven dan moest hij deze kans helemaal uitbuiten, no matter what. En zodoende liet hij huis en haard achter om een goed jaar te gaan ontwerpen, schilderen, rondreizen en leren in het land van, vooral, zeepbellen (Boulevard of Broken Dreams past hier wel). Ondanks het feit dat er ware huzarenstukjes aan websites zijn afgeleverd aan grote bedrijven als KFC (Kentucky Fried Chicken), lees: er goed geld verdiend werd met al dit digitale geweld, het land zelf bleek verworden tot een schim van zichzelf in vergelijking met 1989.
Heimwee, depressies en een steeds slechtere manier van leven noopte hem om weer terug te gaan naar zijn geliefde Europa. Een uitnodiging om te komen wonen in Gent werd aangenomen en enige tijd later werd de volgende stap in zijn leven gezet. Het was tijd om een eigen plaats te krijgen en het onrustige moest omgezet worden in creatieve energie.
Inmiddels zijn we aangeland in 2003 en buiten een goede aarding moest alles wat er inmiddels geleerd was gebruikt worden voor eigen goed. Naast het gewone werk werd er maar op kleine schaal nog getekend, geschilderd en ontworpen. Het enige wat, nog steeds, met grandeur werd beoefend was de graffiti, inmiddels al gegroeid tot een niveau die elke vorm van competitie aankon. Martin kon zich meten met de groten der aarde in deze tak van kunst en er was niet veel meer over om nog te halen. De lessen van Tom Smolders en Rinus hielden hem op aarde en zorgden ervoor dat er niet naast de schoenen werd gelopen.
Een nieuwe zoektocht stond er op het menu en die had niet meer van doen met kunst (indirect natuurlijk wel): de eigen geest moest in kaart gebracht worden, zodat een degelijk leven als kunstenaar èn als mens nog mogelijk was. Deze exploratie bleek de zwaarste van allemaal en leverde de mooiste vruchten op die tot nog toe waren gemaakt. Hele reeksen met schilderijen, elk met een totaal andere benadering van stijl en vorm waren het gevolg. Dit alles werd aangemoedigd door de laatste meester uit de reeks: Albert Rubens, een begenadigd muzikant, kunstschilder en, inderdaad, een nazaat van Pieter Paul Rubens (je weet wel, van die wulpse vrouwen).
Het was tijd om de laatste lessen te leren: de ware essentie van kunst, de eigen manier van uiten, het behouden van die eigen manier, het belang van kunst voor de mens, stijl en definitie van stijl. De hogere zaken achter elke creatie werden belicht en deze leerschool is nog steeds gaande, samen met de exploratie van de geest zijn dit eigenlijk het hogere doel van elke kunstenaar: alleen zo zal er een mate van meesterschap kunnen groeien. Puur omdat dan begrepen wordt waarom iets gemaakt wordt.
Het is nu 2009 en de zin zit er in: never give up and do it without remorse.